fbpx

Sinds wanneer zijn er aandelen?

Het eerste aandeel ter wereld werd in 1602 uitgegeven in Nederland. De uitgifte van die aandelen was de start van de VOC en luidde het begin in van de Gouden Eeuw. Waar de één de VOC roemt over de handelsgeest en rijkdom die zij Nederland bracht. Wijst de ander op de vele rooftochten en plunderingen. Zij associëren de VOC juist met handelsgeweld, kolonisatie en slavernij. Beide maken deel uit van de Nederlandse geschiedenis. Beurshistoricus Cherelt Kroeze schreef voor ons een stuk over de invloed van de VOC op de beursgeschiedenis.

 

De VOC: het eerste beursgenoteerde bedrijf ter wereld

Waar de eerste tekenen van georganiseerde beurshandel al rond de 14e eeuw te zien zijn, is  voor de Amsterdamse beursgeschiedenis vooral het jaar 1602 belangrijk. Het betreft hier het geboortejaar van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), het handelsbedrijf dat voor het eerst aan particulieren de mogelijkheid bood om op duurzame basis deel te nemen in het kapitaal van een onderneming. Dit jaar precies vier eeuwen geleden was de VOC daarmee niet alleen de bron voor de geregelde aandelenhandel op de Amsterdamse beurs, maar  tevens wegbereider voor de mondiale aandelenhandel. Kortom, alle reden voor een kennismaking met dit eerste ‘beursgenoteerde’ bedrijf ter wereld.

 

De VOC werd op 20 maart 1602 opgericht op een wijze die heden ten dage nog heel herkenbaar is: het was het resultaat van een fusie. Een gedwongen fusie welteverstaan van zes zogeheten voorcompagnieën. Gelegenheidsondernemingen die vanaf het eind van de 16e eeuw vanuit verschillende Nederlandse steden scheepsexpedities hadden uitgerust naar Azië. Om te voorkomen dat de moordende onderlinge concurrentie tussen deze compagnieën de economische basis van de Nederlandse vaart op Azië geheel zou ondermijnen, verplichtte de overheid de kooplieden hun krachten te bundelen en samen te werken in één Verenigde Oostindische Compagnie. Deze particuliere handelsonderneming kreeg het alleenrecht op de Nederlandse handel en scheepvaart op de Oost. Gedurende de  bijna twee eeuwen van haar bestaan rustte de VOC ruim 4700 schepen uit voor de tocht naar Azië, terwijl circa 3.350 schepen de route in omgekeerde weg aflegden. Lange tijd was de VOC de grootste onderneming van de wereld. Rijkbeladen retourschepen droegen er in belangrijke mate toe bij dat Amsterdam, de belangrijkste van in totaal zes vestigingssteden van de VOC, in de 17e eeuw uitgroeide tot het centrum van de wereldhandel.

De sporen die de VOC binnen de Nederlandse samenleving heeft nagelaten zijn divers. Voor de beursgeschiedenis is vooral van belang dat met de VOC de eerste voorloper van de moderne naamloze vennootschap het licht zag. Niet langer werd – zoals nog bij de voorcompagnieën het geval was geweest – een handelsexpeditie door een beperkte groep van kooplieden en directe relaties per tocht in het leven geroepen en gefinancierd. Met de komst van de VOC ontstond er voor het eerst een duurzaam bedrijf – in eerste instantie opgericht voor 21 jaar, maar uiteindelijk actief tot 1795 – dat aan iedere inwoner van Nederland de gelegenheid bood om deel te nemen in het kapitaal van een onderneming.

De onderneming zag er in de ogen van tijdgenoten blijkbaar veelbelovend uit. In augustus 1602 werd in de zes VOC-kamers Amsterdam, Zeeland, Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen, die de voortzetting waren van de vroegere voorcompagnieën , bij elkaar voor bijna 6,5 miljoen gulden ingetekend. Amsterdam nam daarbij ruim de helft voor haar rekening. De bedragen werden tussen 1602 en 1606 in vier termijnen opgevraagd. Ten bewijze van de kapitaalinbreng heeft de VOC in  1606 ontvangstbewijzen afgegeven aan alle aandeelhouders. Hoewel het hier strikt genomen nog niet om aandeelbewijzen ging, staan deze stukken in brede kring te boek als de oudste aandelen ter wereld. Stichting Capital Amsterdam (die het erfgoed van de Amsterdamse beurs beheert) is de trotse bezitter van één van de weinige bewaard gebleven exemplaren van dit document. De inleg verschilde per aandeelhouder. In Amsterdam was het hoogste bedrag van inschrijving 85.000 gulden, terwijl de kleinste inschrijving goed was voor 60 gulden. Opvallend is verder dat onder de VOC-aandeelhouders van het eerste uur alle rangen en standen vertegenwoordigd zijn. Naast  regenten en edellieden komen we kunstenaars en dienstbodes tegen. Zelfs ‘ koeckebackers’ waren van de partij. In getal maar ook wat betreft hoogte van het ingelegde kapitaal worden alle beroepsgroepen echter verre overtroffen door de groep van handelaren en kleine en grote kooplieden. Zonder hen zou de ‘beursgang’ van de VOC zeker niet zo succesvol zijn geweest.

 

Anders dan bij de voorcompagnieën, waar de kooplieden na iedere reis het kapitaal en de eventuele winst weer verdeelden, kregen de VOC-beleggers hun geld niet direct terug. Wel konden ze hun aandeel verkopen. Overdracht van aandelen, of acties zoals ze genoemd werden, was mogelijk door overschrijving in een transportregister ten kantore van de VOC-kamers. Ondanks de beperkingen die de niet vast-gewaardeerde en op naam gestelde aandelen met zich meebrachten, ontstond er al snel een levendige handel in VOC-aandelen. Dat gebeurde met name op de Amsterdamse beurs, waar verder onder meer leningen, verzekeringen en in die tijd vooral nog goederen werden verhandeld.

Portret van Dirck van Os (1556-1615), mede-oprichter, grootaandeelhouder en bewindhebber van de VOC. Net als veel andere personen die betrokken waren bij de oprichting van de VOC kwam hij van oorsprong uit Antwerpen.

De handel in VOC-acties vond veelal plaats in de vorm van tijdaffaires, dat is het kopen of verkopen op termijn, in de verte misschien het beste te vergelijken met de huidige optiehandel. Doordat hierbij de mogelijkheid ontstond om te verkopen zonder te bezitten of te kopen zonder directe levering te wensen, zal het niemand verbazen – in een tijd waarin het nog ontbrak aan spelregels en een beursorganisatie als Euronext  – dat de handel regelmatig het karakter van speculatie aannam. Hoewel als gevolg van de actiehandel al snel een kapitaalconcentratie optrad, doordat de kleine aandeelhouders hun stukken van de hand deden  aan de grootaandeelhouders, zijn de kleine beleggers voor zover bekend altijd vertegenwoordigd gebleven.

De hoge verwachtingen in het begin deed de koers in het jaar 1606 al stijgen tot 200 procent. In 1610 daalde de koers echter weer tot 126 procent. Die daling was niet alleen het gevolg van het uitblijven van dividenduitkeringen, maar ook van speculatie à la baisse door een consortium van kooplieden. In 1610 hadden de participanten alle reden om ontevreden te zijn. De bewindhebbers gaven geen opening van zaken in de financiën en in strijd met de afspraken had er geen uitkering plaatsgevonden. Weliswaar werd er eind 1610 nog een dividend uitgekeerd van niet minder dan 75 procent. Maar die uitkering was in foelie, en aangezien dit product op dat moment, vanwege de verzadiging van de markt, uiterst moeilijk verkoopbaar was, stuitte dit aanbod in natura op zeer sterke bezwaren van de aandeelhouders. De bewindhebbers en de overheid, die in de dividenduitkeringen het instrument hadden ontdekt om het VOC-bedrijf voor onbeperkte duur voort te zetten, hielden echter voet bij stuk. Naarmate de dividenden in de loop van de 17 eeuw rijkelijker vloeiden en ook in harde valuta werd uitgekeerd, verstomde de kritiek van de aandeelhouders geleidelijk.

Ook de koersontwikkeling zal de zittende participanten minzaam hebben gestemd. Aan het eind van de 17e eeuw lagen de koersen tussen de 400 en 500 procent. In de jaren van hoogtij omstreeks 1720 steeg de koers zelfs tot de duizelingwekkende hoogte van 1500 procent. De dividenduitkeringen waren navenant en bedroegen in die periode regelmatig 40 procent. Daarna keerde het tij, maar ondanks financiële problemen bleef de VOC dividend uitkeren, meestal zo’n 12 procent. Een rekensom leert dat een VOC-aandeelhouder, als het hem gegeven was geweest om vanaf het begin in 1602 tot het eind in 1795 vruchten te genieten van zijn belegging, in totaal 3600 procent aan dividend zou hebben opgestreken. Dirck Pietsersz. Straetmaker, de kleine belegger wiens aandeelbewijs bewaard is gebleven in het beursarchief, zou met zijn inschrijving van 600 gulden in dat geval alleen al ruim 2,1 miljoen gulden hebben verdiend.

Dat de handel in VOC-aandelen in de 17e en 18e eeuw bij zo velen het hart op hol heeft gebracht is derhalve goed te begrijpen. Befaamd is de beschrijving die de Portugees-joodse schrijver Joseph de la Vega in  zijn in 1688 verschenen ‘Confusion de confusiones’ (Verwarring der verwarringen) geeft van de aandelenkoorts op de Amsterdamse beurs. Met een duidelijk gevoel voor ironie schrijft hij over het toen heersende aandelenbedrijf dat er  “geen sekse is, die het niet uitoefent, met inbegrip van grijsaards (en) kinderen ”. Als men De la Vega moet geloven was er geen plek in de hoofdstad waar men het niet over acties had: “Laat men eens een vreemdeling blinddoeken en door de straten van Amsterdam voeren (..), waar hij ook halt houdt, op de vraag waar hij zich bevindt, antwoordt (hij): ‘Onder actionisten’.

 

Gezicht op Amsterdam, gezien vanaf het IJ. Links in het midden de Nieuwe Brug met het Paalhuisje, waar in het begin van de 17e eeuw op straat de eerste VOC-stukken werden verhandeld.

De VOC heeft na 1602 nimmer meer een aandelenemissie uitgeschreven. Daar is verschillende keren wel aanleiding voor geweest. De angst om de bestaande participanten te benadelen door het verwateren van hun dividend heeft de Compagnie hiervan altijd weerhouden. Het zal in dat verband geen toeval zijn geweest dat de VOC-bestuurders als grootaandeelhouders daarmee vaak ook een eigenbelang dienden. Dat betekent overigens niet dat de VOC nooit meer een beroep heeft gedaan op de kapitaalmarkt. Meerdere malen plaatste het bedrijf kortlopende obligaties, meestal met een lage rente variërend tussen 2,5 en 4 procent. Daarnaast wist de directie voor het uitreden van nieuwe schepen geld binnen te halen van haar vaste afnemers. Deze betaalden ‘anticipatiepenningen’, vooruitbetalingen op bestelde specerijen en andere koloniale waren.

Ten tijde van de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784) kwam de VOC juist door leningen in de vorm van deze anticipatiepenningen in moeilijkheden. Door de oorlogssituatie en het uitblijven van schepen uit Azië kon een schuld van vele miljoenen gulden niet worden afgelost. De overheid schoot te hulp. Samen probeerde men met nieuwe leningen nog een eind te maken aan de benarde financiële positie. Maar hoeveel geld ook in de Compagnie werd gepompt, het bedrijf kwam niet meer vlot. In 1795 staakte het bedrijf zijn activiteiten als zelfstandig bedrijf. In 1799 ging de VOC failliet. Naar verluidt hebben de aandeelhouders via de overheid uiteindelijk nog circa 30 procent van hun aandelenkapitaal uitgekeerd gekregen. De ondergang van het eerste ‘beursgenoteerde’ bedrijf ter wereld was een feit.

Bij de ondergang heeft de zeer smalle financiële basis van het bedrijf zeker een rol gespeeld. Kenners zijn het er achteraf over eens dat het beter was geweest wanneer het oorspronkelijke beperkte aandelenkapitaal van 6,5 miljoen gulden in tijden van voorspoed was uitgebreid. De VOC bleef bijna 200 jaar bestaan. In 1799 werd ze feitelijk opgeheven. De wereldwijde populariteit van beursgangen sindsdien, maakt dat de VOC in zekere zin nog altijd springlevend is!

Meer informatie: